Doen (02-04-2020)

Af en toe bekruipt me het gevoel van de grote nutteloosheid van het bestaan. Het is niet alleen de nietigheid van de mensheid die ik voel nu de natuur zijn kracht laat zien, het is ook dat met de quarantaine de dagelijkse haast lijkt weg te vallen, en daarmee de noodzaak van wat ik doe.

In september was ik op een feestje van mijn uitgeverij, het was op een verbouwde pont in de houthavens in Amsterdam, de zon scheen, het water was diepblauw, een prachtige namiddag. Er waren blote benen, een jongen speelde saxofoon, iemand vertelde dat hij in Leidsche Rijn woonde, ik antwoordde dat dat helemaal niet erg was, daar moest iemand anders erg om lachen, een schrijver die ik nog nooit gezien had vroeg of ik de vrouw van Jan van Mersbergen was, de directrice droeg een gele jurk die ik ook graag wilde hebben, iemand vroeg hoe het met me ging en ik zei goed.
Ik herinner me het feest zo helder omdat ik in diezelfde week de diagnose depressie had gekregen.

Ik wilde geen depressie. Niemand wil een depressie, maar ik had zeldzaam goede redenen om geen depressie te willen. Natuurlijk wist ik al heel lang dat het niet goed ging, het verglijden van het licht naar de mist was misschien al wel twee jaar eerder begonnen maar ik hield koppig vol dat het vanzelf over zou gaan. Ik had te hard gewerkt, er was iets verdrietigs gebeurd waar ik mezelf even overheen moest zetten, goed uitrusten en dan zou het wel in orde komen.

Het was de derde keer.
Mijn eerste depressie had ik op de middelbare school maar had ik altijd toegedicht aan externe factoren. Ik kon daar niks aan doen, het lag niet aan mij.
Mijn tweede depressie had ik op mijn 28e. Maar toen had ik net een kind gekregen en het was te wijten aan de hormonen.
Maar.
Een derde depressie is geen toeval meer, bij drie depressies is het een patroon, bij drie depressies weet je zeker dat je de rest van je leven de hijgende, zwarte adem in je nek voelt, dat je de wereld niet aankan, dat je je leven moet aanpassen, dat je, kortom, een van de zwakkeren bent.

Voor het feest op de pont had ik drie uur voor mijn kledingkast gestaan. Ik was in paniek geraakt van de vraag wat ik aan moest. Net zoals ik toen al maanden in paniek raakte van de gedachte aan mijn manuscript, van wat ik die avond moest koken, van het idee dat ik ooit weer naar de kapper moest, van dat ik mijn kind van school moest halen, van dat ik de pot pindakaas uit de kast moest halen, van dat de hond uitgelaten moest worden. 

Ik wilde geen depressie want ik wist hoe het voelt om kind te zijn terwijl er een depressie in huis hangt.

Ik stond op het feest en ik dacht: ik weet niet wat ik moet doen. 
Het duurde maanden voordat ik doorkreeg dat ik niets hoefde te doen.
En misschien dringt dat nu, in deze vreemde quarantainetijd, pas echt tot me door.
Alles is nutteloos, er is geen haast, er is geen noodzaak.
Dit is alles wat het is.