Wandelberichten 8 (07-01-2019)

Het was nieuwjaarsdag en ik liep in het natuurgebied dat ik pas net ontdekt had. Een landschap van afwisselend landbouwgronden en bos, en het pad dat nu weer door Duitsland loopt en dan weer door Nederland. Door het wat angstaanjagende elektrische hek dat precies op de grens staat, weet je wel goed in welk land je steeds bent: in Duitsland mogen de wilde zwijnen loslopen, de akkers zijn van Nederlandse boeren en die willen die beesten niet op hun grond hebben. Begrijpelijk.
Een dag eerder, nog in het oude jaar, was ik ook in dit gebied, toen was de Duitse kant afgesloten. Ik was de jachtopziener tegengekomen in zijn pick-up, hij had me gegroet terwijl hij de wagen over het hobbelige bospad stuurde, de jacht op de zwijnen zat er net op. Vriendelijk had ik teruggeknikt. Wildbeheer is niet leuk maar het zal toch moeten gebeuren.
Deze nieuwjaarsdag was het stil. Een koppel paarden stond in een afgelegen wei, ochtendnevel op het natte gras, een troep ganzen die verderop traag opsteeg. Om de bocht zag ik dat de hond onrustig werd, ze stond aan de rand van wat struiken en keek met gespitste oren naar iets dat daar zat. Het was niet te missen, het jonge, aangeschoten zwijn, de Frischling. Tevergeefs probeerde hij zich vooruit te slepen, een kogel in zijn flank. Zwijnen kunnen zo loensend kijken, ik zag zijn donkere oog op me gericht. 
Dit was slordig, een onnodig lijden. Ik vervloekte de jagers van een dag eerder, ook al wist ik dat geen enkele jager wil dat een dier zo aan zijn einde komt. Het moest per ongeluk gebeurd zijn.
Zo stond ik een poosje. Het zwijn had zich er weer bij neergelegd en lag tussen de bomen, alsof hij sliep. Het bos dat zich voor me uitstrekte leek ineens heel groot, daar achter de bomen waren nog meer bomen, en dan nog meer, en struiken, en mos, afgwaaide takken, het werd steeds donkerder en de ondoordringbaarder. Daar was het rijk van de dieren die de mens nooit zag, de roofvogels en uilen, de eekhoorns, reeën. Op dit moment waren er ontelbaar dieren in dit bos, en sommigen waren, nu, net als dit zwijn, aan het sterven. Een duif die ten prooi was gevallen aan een sperwer, een ree dat oud was. 
Het wilde zwijn bewoog zich weer, probeerde nog een keer op te staan. Het grote bos boog zich om hem heen alsof het een wieg was, het zwijntje erin, toegedekt, de zacht ruisende takken fluisterden.
Een laatste keer keek ik, de snuit van het beest in zijn zijde gedrukt, zijn oog nu dicht. Straks zou het voorbij zijn. 
Soms is het enige dat je kunt doen liefde voelen en berusten.
Ik floot de hond en liep door.