Doolhof (08-04-2020)

Vier keer per dag rijdt er een bus langs ons huis. Twee keer richting het station en twee keer de andere kant op, naar het noorden. Ik vind dat fijn, ik hou van het gevoel dat ik erdoor krijg, dat ik uit mijn raam kijk en zie dat de wereld altijd doorgaat en ik, als ik dat zou willen, mee kan doen. Vooral in de avond als alles donker is maar er uit de busramen fel licht schijnt, ik hou ervan om naar de mensen te kijken die meereizen, in de prettige onrust die dat in me aanwakkert zit iets vreemds geruststellends.
Mijn echtgenoot en ik houden erg van grafiek, als we bijzonder gecharmeerd zijn van een werk dan schaffen we het soms aan. Zo vonden we een paar weken geleden een zeefdruk van Rudolf Jahns, we kochten hem en hingen hem meteen op. Het is een groot werk, opvallend ook. Ik vind het zo intrigerend dat ik er uren naar kan kijken.
Toen ik een paar dagen geleden beeldbelde met mijn neefje van zes draaide ik mijn telefoon zo dat hij het schilderij kon zien.
'Het is een doolhof,' stelde hij vast.
Zo had ik het nog niet bekeken maar ik zag meteen wat hij bedoelde, de dikke zwarte lijnen die het wit opdeelden en als een soort plattegrond op het papier lagen.
Hij zweeg even.
'Het is een doolhof maar je kunt niet zien waar hij uitkomt.'
De opmerking benauwde me een beetje, het klopte.
De bus in mijn straat herinnert me aan mijn oma's huis. Ze woonde aan een drukke weg, in tegenstelling tot het verlaten plattelandsweggetje waar ik opgroeide en waar het altijd beklemmend stil was. Als ik bij oma logeerde luisterde ik naar de voorbijrazende auto's, de hele nacht door, zelden sliep ik zo diep als daar, in dat grote, vreemde bed.
Als ik nu naar buiten kijk zie ik vier keer per uur een verlaten bus voorbijrijden. En in de avond fel licht uit de ramen maar niemand in de stoelen. Elke dag voel ik me ongemakkelijker bij de aanblik, in de lege bus zit de tot stilstand gekomen wereld.