Frenkie (01-04-2020)

Met de jongste liep ik naar de brievenbus in het dorp. We wonen in de stad, in een wijk die tot 1959 een los gehucht was, toen werd de boel ingelijfd en aan de stad geplakt. Maar we hebben een eigen kerk, een pleintje en wat winkels waardoor het nog aardig dorps voelt.
Het was nog vroeg en heel stil op straat. De kinderboekwinkel op de hoek was open en bij de kaasboer stond iemand te bestellen, maar de dokterspraktijk in het oude raadhuis was hermetisch op slot. Er hing een brief op de deur met hoe te handelen als je de huisarts wilde spreken. Het Chinese restaurantje verderop was ook dicht, maar ik wist niet of dat door het virus kwam of doordat de keuringsdienst van waren daar langs was geweest, het zou een zegen voor de volksgezondheid zijn als die vieze hut voor eeuwig gesloten werd.
Overal stonden beren voor de ramen, behalve bij het café, daar lag een hond op de vensterbank te slapen.
'Die doet mee aan de hondenjacht,' zei mijn dochter.
We postten onze brieven en liepen de smalle straat richting het pleintje in. Bij de slager stapte net een jongeman uit zijn auto, hij droeg een joggingpak en op de rug van zijn trui stond in grote letters FRENKIE. Ik houd niet van joggingkleding, ik bezit niks uit die categorie. Het is echt niet zo dat ik er alle dagen even elegant bijloop, maar in een joggingbroek zul je me nooit zien. Ik begrijp deze kledingstukken niet, ze zijn bedoeld om in te sporten maar ze worden volgens mij voornamelijk voor het tegenovergestelde gebruikt. Naar het zich liet aanzien had Frenkie al zo lang de quarantaine duurt in de zijne op de bank gelegen, en in bed, en er frikandellen mee gebakken.
We staken de weg over en liepen onze laan in, we weken even uit toen er een meneer ons tegemoet kwam die net een grote zakdoek uit zijn zak viste en omstandig zijn neus begon te snuiten. Overal bloeiden blauwe druifjes en bloesem, de zon was al warm.
'We moeten nog een 1 april-grap verzinnen,' zei ik.
'Oeh ja,' zei de jongste.