Goed (23-08-2020)

Ik stond op der Wiese, het weitje, bij het haventje, het water scheen donkerblauw, witte kopjes op de golven. Er voeren alleen een paar grote zeilboten op het open gedeelte van de meest zuidelijke plas, het was nog vroeg, de meeste bedrijvigheid vond plaats op de steigers. Ik hou van de geluiden van de haven, vooral met deze wind, het geklingel van de masten, het doffe klotsen van de stootwillen tegen de randen.
Op de jeugdzeilsteiger waren de instructeurs bezig om alles klaar te maken voor de zeillessen, vanaf volgende week zijn er nog een paar cursusdagen, de enige dit jaar, door de pandemie kon alles aanvankelijk niet doorgaan. De oude grijze W, een trouwe bekende op der Wiese, hielp een handje, toen hij me zag zwaaide hij en liep naar me toe.
'Ik heb je boek gekocht,' zei hij. 'Nog niet gelezen maar wel al wat doorheen gebladerd.'
Ik knikte, hij schrijft ook. Na een werkend leven als journalist bij de nationale Duitse televisie werkt hij nu aan een boek. Over zeilboten natuurlijk, dat laat zich raden.
'Je hebt een ongelofelijke makkelijke manier van schrijven,' zei hij. 'Ik ben jaloers op mensen die de zinnen zo uit hun mouw schudden.'
Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Of ik moest vertellen dat het boek juist tot stand was gekomen door een periode dat ik het niet meer kon. Dat er juist geen woord meer uit me was gekomen. Ik besloot te zwijgen, hij zou het vanzelf wel merken.
'Het gaat goed met het boek hè,' zei hij.
Ik dacht aan de foto die mijn uitgever me net had gestuurd, de herziene pagina waaraan nu de vijfde druk was toegevoegd. 
'Erg goed,' antwoordde ik.
Een rank zeilschip voer voor ons uit de haven uit, de wind stootte in het zeil. Verderop vloog een zwaan traag klapperend over het water, zijn vleugels raakten het wateroppervlak net niet.
'Wat fijn,' zei de oude W.
En dat is het.
Ongelofelijk fijn.