Peilloos (27-04-2020)

Ik had naar de toespraak van de koning gekeken en moest ervan huilen. Misschien niet eens zozeer om wat hij zei, maar om hoe hij daar stond, dat nette kostuum ineens overbodig zo binnen de paleismuren. Ik dacht: jongen, grijp je kans, trek je trainingsbroek aan en ga voor de TV zitten met een schaal kroketten. 
Daarna liep ik wat ongedurig door het huis, ik had het gevoel dat ik iets moest maar ik wist niet wat en dus ging ik maar werken. Net op dat moment belde een vriendin, we praatten een poosje, hoewel we totaal verschillende dingen doen -ze is natuurkundige- werken onze hersenen op een basaal niveau hetzelfde. We houden allebei van denken in de meest complexe, op zichzelfstaande vorm en worstelen allebei met het gevolg dat daaruit voortvloeit: eenzaamheid. Breinen die zelfstandig en autonoom werken zijn autarkisch, en ze ontmoeten, of dulden, zelden een naaste in hun veld.
Ik denk wel eens dat mensen met aanleg tot een dergelijke eenzaamheid sneller een depressie krijgen, of misschien dat hun eenzaamheid zich manifesteert in een depressie. In een depressie valt alle zicht weg, inclusief het zicht op jezelf, iets eenzamers dan jezelf verliezen bestaat er niet.
'Waarom ben je bang voor het virus?' vroeg mijn vriendin.
Ik dacht even na. Hoewel de berichtgeving positief is en het aantal doden afneemt, is het virus nog niet overwonnen en zijn er nog genoeg dingen om bang voor te zijn. Maar er is voor mij één ding dat me echt tot in mijn bot afschrikt. Ik ben bang dat een van mijn kinderen of mijn man op de IC terechtkomt en dat ik niet bij hen mag. Ik ben bang dat mijn ouders alleen zouden moeten sterven.
Ik ben bang dat ik zelf in het ziekenhuis kom.
En dat ik dan alleen ben.
Het is de gedachte aan eenzaamheid die me radeloos maakt.
Het peilloze alleenzijn van de afgelopen depressiejaren komt door deze virusuitbraak aan een scherp en meedogenloos licht.