Nieuwe dingen (23-04-2020)

We hadden een plaag in huis, het is geen grapje, een meelmottenuitbraak, alsof een virusepidemie nog niet genoeg was. Meelmotten zijn kleine motjes die zich voeden met, nou ja, voornamelijk meel dus. Na twee keer de keuken binnenstebuiten keren hadden we de bron van het kwaad nog altijd niet gevonden. De motjes lieten zich overdag zelden zien maar tegen de avond kwamen ze voor onze neus fladderen als we op de bank zaten, we zouden er bijna aan wennen als we er niet zo wanhopig van werden.
Volgende maand zijn W en ik precies twintig jaar samen. Ik herinner me onze kennismaking, hij verliep met een vanzelfsprekendheid die me ervan overtuigde dat het was zoals het moest zijn. Voor W had ik nooit een vriendje gehad, ik joeg door het leven alsof er iets me op mijn hielen zat en dacht dat liefde niet voor mij was weggelegd. Bovendien leek het me een hoop gedoe. Als ik zag hoe vriendinnen worstelden met relaties en onenightstands kon ik alleen maar denken: ik heb wel wat beters te doen.
Het was 2000, mijn studie liep ten einde, een avond in een Nijmeegse kroeg in de Betouwstraat. Ik zag hem, een lange jongen met bruin haar, een sigaret, en liep naar hem toe. 
'Later wil ik een boederijtje met geiten en kippen. Jij ook?' vroeg ik.
'Hij knipperde niet eens met zijn ogen, 'Ja, ik ook,' antwoordde hij.
Zoiets had ik nog nooit gedaan.
Toen hij me die nacht naar huis bracht stonden we stil voor mijn studentenflat op Hoogeveldt, onze fietsen tussen ons in. Zonder aarzelen legde hij zijn hand in mijn nek en trok me naar zich toe, in die eerste kus lag alles wat ik over hem wilde weten. Zijn kalme zelfverzekerdheid legde vanaf dat moment een liefdevolle haag om mijn rusteloosheid. 
Ik trok bij hem in op zijn studentenkamer in Oost, ons eerste uitje was naar het strand. Ik lag op mijn buik in het zand, hij trok een velletje van mijn rug die verbrand was geweest en zei: 'een stukje Octavie, dit bewaar ik voor de rest van mijn leven.'
In die eerste weken, maanden, jaren, was ik soms te verbluft om te geloven dat iemand van me hield, dan stak mijn oude gejaagdheid weer even de kop op, maar ik bleef altijd. Het boerderijtje werd een huisje met veel grond aan de rand van de stad, de geiten werden schapen, kippen waren er vanaf het begin. We stortten ons in ons leven samen zonder ergens over na te denken, ik raakte na amper drie jaar al zwanger, aan trouwen dachten we niet. Ons huishouden was een chaos, ons leven organisch, we deinden mee op de golven van wat kwam, hoe het kwam. Alles in een onzichtbare afstelling op elkaar, we hoefden nooit iets te overleggen, de vanzelfsprekendheid van onze kennismaking bleek de kwintessens voor ons leven samen.
Toen ik vanochtend weer een motje vond, besloot ik ten einde raad het theedoekenkastje leeg te halen. Dat hadden we tot nog toe overgeslagen, de beesten nestelen in levensmiddelen, niet in katoen. Met één beweging veegde ik de doeken van het schap en vond naast de bron van de meelmottenepidemie een leven aan herinneringen. Een handdoek die we kochten op onze eerste reis samen, naar Finland, slabbertjes van de kinderen met de verwassen oranje wortelvlekken er nog in, een pakje dat onze eerste hond had aangehad na een operatie. Ik moest huilen.
'Dat is allemaal voorbij,' zei ik.
Hij glimlachte. 'Maar na de plaag komen er nieuwe dingen.'