Piepertje (22-05-2020)

Vorige week waren de aardappelplantjes op de grote akker bevroren maar ze hadden zich wonderbaarlijk hersteld. Er steeg een kleine goudkleurige vogel op tussen twee bedden, hij hield ons in de gaten, de twee mensen met hond die op het pad verderop liepen, tussen het uitbloeiende fluitenkruid.
'Wat is dat voor vogel?' vroeg ik.
Het was een retorische vraag, ik ben degene die de namen van planten en dieren weet en ze de kinderen leert, W heeft er geen verstand van.
'Gezien de aardappelen is het een piepertje denk ik,' antwoordde W.
'Haha.'
Na jaren van weinig lezen kan ik er nu geen genoeg van krijgen. Het liefst lees ik pelgrimages of boeken waarin op een andere manier de mens en zijn plek in de grote natuur centraal staat. Het zoutpad van Raynor Winn, Pelgrim langs Tinker Creek van Annie Dillard, De ringen van Saturnus van Sebald, De buitenjongen van Cognetti en nog een hoop meer. Het zal wel door de opsluiting komen dat ik wil lezen over wandeltochten en verre landschappen, en misschien door het virus dat ik wil lezen over de zelfbeschikking van de natuur en hoe je dat als nietige mens kunt leren aanvaarden.
Na weken van vrijwel niet wandelen, haal ik nu alles in. Op sommige dagen ga ik twee keer een flink stuk lopen, in de ochtend en in de avond, altijd op dezelfde plek, daar is het rustig, behalve de aardappelboer kom ik er zelden iemand tegen. Wiesje rent met me mee, ze is een beetje op bang op de plek waar de ijzeren buizen van de grote sproeinstallatie lekken, in het metaal zit een gat waar in grote boog grove mist uitsproeit, het maakt een sissend geluid waar ze op een afstandje, met gestrekte nek, naar gaat zitten kijken. Het moeras is drooggevallen, een paar weken geleden hoorden we daar het gekwaak van duizenden kikkers, nu is het er stil. De jonge kikkertjes springen hier en daar over het pad op zoek naar water.
Het dode ree dat ik een tijd geleden in het veld vond is verdwenen. Ik heb het iedere dag gevolgd, op de eerste dag waren de ogen eruit gepikt door de kauwen, op de tweede dag was de kop eraf en teerde het overgebleven lijf zichtbaar in, op de derde dag lagen er nog wat ingewanden en vond ik op het pad een werveltje en een hoefje.
Ik plukte een herderstasje en trok de hartvormige zaaddoosjes een voor een een stukje los van de steel en rammelde ermee. De zaadjes maakten een ratelend geluid, ik hou van dat geluid. Net zoals ik houd van de grote sproeier, we liepen er nu vlak langs, het regelmatige tikken van de onderbroken straal, de geur van grondwater, de regenboognevel boven de aardappelplanten.
De goudkleurige vogel was weg maar in de verte hoorde ik twee kieviten, Wiesje joeg een duif op.
Thuis zouden de kinderen ondertussen wel uit bed zijn, we sloegen linksaf de verharde weg op.