Viezig (24-03-2020)

Ik hou niet erg van lichamelijk contact.
There, I said it.
Wel met mijn geliefden natuurlijk. Met mijn kinderen. Die knuffel ik wel, maar niet overdreven vaak. Bepaalde vriendinnen, maar dan moet het wel van hen uitkomen, ik heb één vriendin die de gave heeft om dwars door de barrière heen te breken en me elke keer als ze me ziet vol overgave te omarmen. Ik heb het een hele enkele keer met iemand die ik wat minder goed ken, dan weet ik nooit hoe dat kan, maar ik fantaseer in zo'n geval altijd graag over de diepere kosmische lijn die ons bindt. Misschien zelfs iets met een vorig leven, al geloof ik daar verder natuurlijk niet in.
Al ver voor deze virusuitbraak vond ik de medemens over het algemeen ongemakkelijk, te dichtbij en bovenal: viezig.
Je zou dus kunnen stellen dat de huidige situatie -contact strikt verboden- mijn natuurlijke habitat is, en hoewel het voor dit stukje mooi zou zijn als ik dat nu zou gaan ontkennen: nee.
Ik vind dit een prima staat van zijn. Sterker nog: ik merk dat het een druk weghaalt waarvan ik me nooit bewust was maar die me altijd het gevoel gaf dat ik iets moest doen dat iedereen heel normaal een prettig vindt behalve ik, de gekkerd.
Toen ik gisteravond laat nog even een wandelingetje door de buurt maakte kwam ik een vage bekende tegen. Ze knoopte een praatje aan en ik vond de situatie, zij op de stoep, ik op gepaste afstand op de verlaten straat, meer dan uitstekend.
Maar goed, om nu geen doem over de hele toestand uit te roepen, wil ik wel nog graag zeggen dat ik niet hoop dat dit virusfeest een lang leven beschoren is. Ik zal straks, als het land -Deo volente- weer open gaat, mijn lot deemoedig dragen, en dan mag iedereen me in de armen vallen. Beloofd.