Wandelberichten 9 (12-04-2019)

Een prille Amsterdamse vriendin wilde met me mee gaan wandelen.
Nu wandel ik graag alleen. En áls er eens iemand met me mee mag dan luistert dat heel nauw, het is niet iets dat licht opgevat moet worden, samen door een bos lopen. 
'Weet je het zeker?' vroeg ik, en ik dacht bezorgd aan de Kalverstraat en het Damrak. 'Ik neem je namelijk mee het moeras in.'
'O leuk,' zei ze.
Ik wist niet zeker of ze begreep wat het in zou houden.
Bij het betreden van het moeras zat er een winterkoninkje op het pad. Hij keek ons aan en bleef zitten toen we erlangs liepen. De pluizen van de lisdodden waren over het water uitgewaaid, ik liep voorop en achter me hoorde ik het gesop van haar nieuwe laarzen. We klommen het talud op en stonden stil op de helling omdat we te veel te praten hadden om daarbij ook nog te kunnen lopen.
'Dit is mijn bijzonderste plek,' zei ik, toen we bij de bronnen kwamen.
Ze keek omlaag.
'Ben je hier wel eens op de grond gaan liggen?'
Nu kom ik al mijn hele leven bij de bronnen maar het was nog nooit in me opgekomen om er op de grond te gaan liggen.
Ik keek naar het bed van dorre bladeren, het leek me best prettig.
'Kom,' zei ze. En ze liep naar beneden, tot bijna aan de donkere, natte bodem. Ik wilde roepen dat dat gevaarlijk was maar deed het niet. Bijna beneden ging ze op haar rug liggen.
Ik deed hetzelfde.
Zo lagen we een poosje, het begon een beetje te regenen, kleine tikjes op onze voorhoofden.
Het heeft iets heiligs, samen wandelen.
Dat klinkt gek, maar toch is het zo.