/Verhalen/
/Webshop/
/Dossier Voorland/
/Vlogs/
/Faq/
/Contact/
/Account/
/Winkelmandje/

De geheime herinneringen (09-06-2016)

Ik fiets de oprit op, slalom tussen de vrouwenmantel door die over het paadje groeit, zet mijn fiets op de standaard voor ons raam. Ik haal mijn huissleutel uit mijn tas, steek hem in het slot en loop naar binnen. Mijn schoenzolen klinken zacht op de oude tegelvloer. Ik denk na over de handelingen van de ochtend, het opstaan, aankleden, ik maakte een beker warme melk voor de jongste, dat wil ze nog iedere dag. Ik hielp haar met aankleden, het truitje over haar hoofd, kamde haar haren. Toen op de fiets naar school, de wind was fris, mijn rokje wapperde.
Ik liep over het schoolplein, heb ik eigenlijk wel naar de oude boom gekeken? Stond de deur van de hoofdingang open of moest ik hem openmaken? Heb ik wel of geen gedag gezegd tegen de vader die 's ochtends altijd een beetje humeurig is? Heb ik gezien of de moerbeiboom al bessen draagt? Er liep iemand met een bijenkast, maar wie was het? Mijn ogen moeten het waargenomen hebben, maar ik heb het niet gezien. Of ik ben het meteen vergeten.
Op deze ochtend weet ik wat ik vergeten ben, denk ik, maar misschien zijn er ontelbare dingen waarvan ik niet eens meer weet dat ik ze ooit wist. En dat wat ik ooit wist, en nu niet meer, zit dat wel nog ergens in mijn hoofd? Een geheime plek waar allerlei herinneringen zitten die er misschien nooit meer uitkomen. Misschien ook wel de vroegste jeugdherinneringen, stel je voor. Misschien dat de geheime herinneringen onder een autonoom stukje hersenbestuur staan. De hele dag spelen ze de vergeten beelden en gedachtes als een film af, alleen ik zie ze niet. Misschien komt er af en toe iets heel licht aan de oppervlakte, een besluit dat ik neem wordt stiekem ingegeven door een flard, onbewust, uit het autonome hersenstukje.
Stel je voor. Dat we het open zouden kunnen breken. Dat we met een cameraatje in ons brein konden, precies naar die plek. Een schat zou zich openbaren.
Of misschien niet, geen schat.


Twijfel (11-04-2016)

Hij keek me wat verward aan. Ik wist niet of het een jongen of een meisje was, maar ik noem hem maar hij. Ik zou hem ook het kunnen noemen, maar dat klinkt alsof het een wezen was, geen mens. Hij had zijn hoofd kaalgeschoren, alleen bij zijn slaap stond nog een streng haar, hij droeg het in een lange vlecht. 
'Help je mee?' had iemand hem gevraagd, een klein klusje, potgrond over bloempotjes verdelen.
Zijn grote, grijze ogen laaiden op,  vragend, twijfelend. Ik keek terug.
Een jaar of twaalf was hij. Of misschien iets ouder.
'Ik weet het niet,' antwoordde hij.
Ik zag dat hij naar de vaardige handen keek die door de zwarte aarde gingen, de grond stevig in de potjes drukten. Het leek zijn twijfel alleen maar aan te wakkeren.
'Ik moet er nog even over nadenken.'
Heel even vroeg ik me af waarom iemand zo moest aarzelen over potgrond, het leek me een eenvoudige keuze. Toen dacht ik aan mezelf, en aan mijn eigen keuzes. Aan dat alles waarvan ik tot nu toe in mijn leven dacht dat het simpel was, maar het nu helemaal niet zo blijkt te zijn. Misschien was de vraag wel een stuk moeilijker dan ik dacht. Waren alle vragen een stuk moeilijk dan ik dacht.
Terwijl hij wegliep, keek ik hem na, hij krulde net zijn vlecht achter zijn oor. Ik benijdde hem heel even.
Dat hij zich zijn twijfel toestond.


Ik weet het niet (23-03-2016)

'Gaat het hier ook gebeuren?'
Ze vraagt het alsof de vraag niet van haar is, maar al een poos bestond. Alsof hij in de lucht hing, ze hoefde hem alleen maar te vangen en aan mij te stellen.
Ik aarzel.
'In Nederland kan zoiets ook gebeuren ja, aanslagen zoals in Brussel,' antwoord ik. 'Maar de kans dat het in onze wijk gebeurt is denk ik heel klein.'
Ze tekent met haar vinger in een plasje geknoeide ranja. Donkere strepen op het houten tafelblad.
'Is dit wat oorlog is?'
Mijn gedachten schieten naar afgelopen zomer. Haar grote, bange ogen in het geblindeerde donker van het Anne Frank-huis. Het was druk, te druk, en benauwd. De woorden, het dagboek, het was ineens werkelijkheid geworden. 'Ik wil hier uit,' had ze gezegd, en toen waren we nog maar net binnen, en terug konden we niet meer, in het Anne Frank-huis is alles eenrichtingsverkeer. 
'Ik weet het niet,' zeg ik. 
Samen kijken we naar buiten. Een koolmeesje zit op de rand van een bloempotje dat vol is gelopen met water, hij dompelt zijn snavel onder en drinkt. Ik vind het geruststellend, een vredig tafereel, maar tegelijkertijd ook niet. Zelfs in tijden van de gruwelijkste oorlogen dronken koolmeesjes gewoon hun water. 
Langzaam besef ik dat ik het echt niet weet. Dat ik niks weet. Niemand weet het. Niemand, nergens. Al die jaren dat ik dacht dat ik het wel wist waren een illusie. De toekomst is een vat vol grillige onvoorspelbaarheid, en ik zie het nu pas.
Ik open mijn mond. 'Ben maar niet bang,' wil ik zeggen.
Maar ik zwijg.


Mag ik even in uw tas kijken? (02-03-2016)

'Mag ik even in uw tas kijken?'
De jongen achter de kassa vroeg het aan de mevrouw voor me. Ze pakte haar lege boodschappentas en vouwde hem wijd open, een beetje gehaast, alsof er geen keuze was. Ze wilde zo snel mogelijk alle eventuele verdenkingen wegnemen. De jongen keek tevreden, alsof hij de baas was. Heer en meester achter de kassa.
Ik kende hem wel, hij werkt al jaren bij deze supermarkt. Hij is een beetje dik en hij loopt altijd gewichtig rond. Soms bij de vleesafdeling, soms ter hoogte van de pakken vanillevla. Een poos geleden kwam ik hem tegen in de stad, in de drukke winkelstraat. Toen zag hij er anders uit, heel gewoon. Hij hield de hand vast van zijn vriend, een beetje onwennig, dat vond ik mooi. Prille liefde, ontroerend.
De mevrouw voor me stopte haar boodschappen in de tas, rekende af. Ik bedacht me wat ik zou doen als hij mij zou vragen om mijn tas open te maken. Ik wilde dat niet, ik had immers ook mijn privacy, maar ja, wat maakte het eigenlijk uit? Ik had niks te verbergen. En hij was ook maar een gewone jongen die zijn werk deed.
Hij vroeg het niet.
Ik was toch opgelucht.


Rijglaarsjes (02-02-2016)

Het was koud, altijd. Opgevroren sneeuwresten op de stoep, ik wreef erover met de punt van mijn lompe winterschoenen. Over mijn carnavalskostuum droeg ik een moeizame, grijze jas, een oude. Ik was verkouden, er liep snot uit mijn neus, ik wilde wel een zakdoek pakken maar dan zou ik ook mijn schmink wegvegen. Ik haalde mijn neus op, de geur van vette crême, en in de verte van verschaald bier. Blikkerige muziek die iets in mijn borstkas deed trillen, een tractor met de prinsenwagen erachter. Hoog op het achterste deel de prins en zijn adjudanten, de raad van elf en de dansgarde op het lage stuk, achter een hekje. De dansmarietjes hadden een roze gezicht en gestifte lippen, korte rokjes, hun lange, rechte benen in onzichtbare panty's. Aan hun voeten rijglaarsjes, hoog, rank en smetteloos wit. Sommige van hen dansten en gooiden snoep en confetti, de wagen deinde. De meesten keken in de verte, hun ogen in een landerige, pruilende blik.
Tot op heden kan ik niet naar meisjes in rijglaarsjes kijken zonder de vlinderige, jeukerige jaloezie van toen.


Pagina 32 van 34


Schrijver, beeldend kunstenaar. Lino- en houtsnede, illustratie.

VOORLAND (Ambo|Anthos, 2016)
SLOT (Gloude, 2020)
Verwacht: HET LIED VAN DE SPREEUW (Ploegsma, 2021)
Verwacht: DIT IS GEEN TEKENCURSUS (Gloude, 2021)

Published author and linocut printmaker from The Netherlands.

//Vragen? Je kunt me mailen op octaviewolters@gmail.com//

DE WEBSHOP IS OPEN
Je kunt mijn werk bestellen via octaviewolters.nl/webshop
Veel plezier!

www.twitter.com/octaview
www.facebook.com/octaviewolters

© Alle content, in woord, beeld en concept is van Octavie Wolters.
Algemene voorwaarden     Verzenden en levering