'Vanaf volgende week heb ik een paar weken vrij voor de nieuwe colleges gaan beginnen.'
Onze oudste dochter is een paar dagen thuis. Voor mijn verjaardag alvast, we hebben haar van het station gehaald en eten de kaneelbroodjes die de jongste nog snel even heeft gebakken. Buiten is het donker en de straat is rustig.
'Fijn,' zeg ik.
Ze studeert hard en haalt hoge cijfers, politieke filosofie bevalt haar. Niet gek, het kind kwam denkend ter wereld. Als kleuter veroberde ze al ethische vraagstukken als ontbijt.
'Ik ga een poosje alleen op reis,' zegt ze dan.
Ik slik even.
'Waar ga je heen?'
Ze glimlacht. 'Krakau.'
Het duurt even voordat mijn hoofd het rekensommetje heeft gemaakt. Krakau? Waarom Krakau?
Dan valt het kwartje.
'Ik wil naar Auschwitz,' zegt ze.
Ik knik.
Natuurlijk wil ze naar Auschwitz.
Ze is twintig, natuurlijk wil ze alleen op reis. Ze woont al twee jaar op zichzelf, ging al vaker zonder ons op vakantie, heeft haar eigen leven, leuke bijbaan, een hoop vrienden, een toneelgroep want the world is her stage.
En nu dus naar Auschwitz.
'Pas je wel op?' zeg ik. 'Bel je me als je het niet kan verdragen?'
Ze knikt. Een ongeduldig knikje, zoals ik dat van haar ken. Ze zoekt het zelf wel uit, ze kan het zelf wel, laat me mam, ik doe dit op mijn manier.
Als ze weer uit is gevlogen denk ik erover na. Ik weet niet wat ik ervan moet denken dat mijn kind zich in de oorlog gaat storten. De oorlog die ik zo wanhopig probeer af te sluiten, die ik probeer te doorleven zodat toekomstige generaties er geen last meer van hebben. Wat zou ik haar gunnen om de ellende niet te hoeven voelen, om niet het zwarte gat dat het vernietigingskamp is door te gaan. En tegelijkertijd voel ik respect voor haar, dat ze het aandurft. Ikzelf heb nooit naar Auschwitz gewild omdat ik weet dat ik de pijn daar niet kan verdragen. Misschien ervaart zij de last veel minder, en kan ze het juist daarom aan.
De kieviet is terug op Blankwater. Ik hoor hem eerder dan dat ik hem zie, schrille buitelende kreten, ik veer op, als de kieviet er weer is dan is het lente. Het ven is onwaarschijnlijk blauw, het glinstert, twee reeën achter de bremstruiken, groenlingen die schetteren. Overal trekt het water zich nu terug, geregend heeft het al een paar weken niet meer, het pad is zowaar stoffig, ik heb mijn jas uitgetrokken en loop in een dun shirt. De helling van de Duitse berg is zichtbaarder dan ooit, de bomen staan grijs en als dunne haarimplant te wachten op het moment dat de eerste blaadjes zich ontrollen.
Trui ligt al de hele dag op bed, het is de warmste plek, de fabriekshal is tochtig, door de gebroken ruiten waait de koude januariwind naar binnen. De Duitse militairen hebben geen nieuws over wanneer hun trein vertrekt, de dagen duren eindeloos. Ze piekert over Marie die in het lazaret is achtergebleven, een brief schrijven heeft geen zin, een telefoon is er niet. De emaillen emmer waarop iedereen in haar compartiment de behoefte deed is verdwenen, gepikt door iemand uit een andere zaal, als ze naar de WC moet dan moet ze naar buiten, in het bos. Rondom de fabriek is de sneeuw modderig en glad, overal tussen de bomen liggen uitwerpselen. Ze gruwelt ervan.
In de achterste zaal ligt Ria met Jeanne, Trui zoekt hen af en toe op, ondanks de omstandigheden groeit de kleine Jeanne als kool. Ze kijkt wakker uit de oogjes, kraait van plezier als ze Trui ziet, grijpt naar haar zwarte krulhaar. Ria maakt zich zorgen, haar voorraad melkpoeder is aan het slinken.
'Nog even en we zijn in Friesland,' zegt Trui tegen Ria. 'Daar is het schoon en krijg je voeding voor haar.'
'Ik hoop het maar,' zegt Ria.
Op 11 oktober 2019 schreef ik: Als ik schrijf trek ik een luchtdichte zak om me heen en ga ik mezelf openkrabben. Als ik teken zalf ik mijn wonden, dan stelp ik het bloeden.
Tussen 2017 en 2020 werkte ik aan wat mijn tweede roman moest worden. Het manuscript is voltooid maar nooit uitgegeven, het staat al vijf jaar opgeslagen in een donker hoekje van mijn computer. Het verhaal gaat over een speciaal geselecteerd groepje hoog intelligente studenten die in opdracht van de universiteit werken aan een project rondom genetica: de overferfelijkheid van trauma bij muizen. Gedurende het verhaal komt de lezer eracher dat de studenten meer gemeen hebben dan alleen hun hoogbegaafdheid, ze blijken niet voor niets te zijn gerecruteerd en samengeracht.
In de jaren dat ik eraan werkte zakte ik steeds dieper weg in wat later een depressie bleek te zijn. Voor het verhaal van de hoofdpersoon, Ude, een personage dat sterke autobiografische kenmerken had, was ik diep mijn familiegeschiedenis in gedoken. Ik vrat alle literatuur die ik maar kon vinden over de oorlog in deze streek, probeerde een lijn aan te brengen in het verhaal van mijn oma, schreef, herschreef, herschreef, herschreef, eindeloos, labyrintisch, steeds leek het alsof ik de kern net niet kon pakken. Alsof ik telkens tegen een onzichtbare wand botste, elke dag dat ik schreef moest ik een drempel over, die voelde als een deur waar ik niet doorheen mocht. Ik schreef mezelf kapot, ik schreef tot ik dood was vanbinnen.
In 2020 stopte ik noodgedwongen met schrijven. Ik was broodmager, emotieloos en op. Een half jaar lang kon ik niets meer, niet schrijven, niet tekenen, niks meer. Ik had een vreemde, onverklaarbare koortsaanval en lag weken op de bank.
De bovenste takken van de wilg zijn al uitgelopen, zachtwitte katjes reiken naar het heldere blauw, één wolkje is er maar te zien, recht boven het ven. Weer geen kraanvogels, wel heel veel groenlingen, een troepje spreeuwen, de tjiftjaf. Er ligt nog ijs in het stroompje naast het broekbos, vannacht heeft het gevroren maar nu is mijn jas bijna te warm. Wiesje duikt door de akker met dorre stengels op zoek naar muizen. Ik raap een groot brok gepolijst zandsteen van het pad en laat hem in mijn zak glijden. Ik voel zijn gewicht aan me trekken, de zwaarte van de aarde, van de grondlaag. Iets mag best even trekken, zolang ik maar weet dat de lichtheid overheerst.
Die gedachte blijft me bij als ik thuis in mijn atelier ben en de steen in de inkt doop. Het gaat over het algemeen goed met me, vier jaar na de depressie. Niet vanzelf, het vergt nog een hoop werk. Maar overheerst de lichtheid op dit moment? Ik weet het niet goed. Ik merk dat het schrijven aan dit project me de laatste weken af en toe de duisternis in kan trekken. Steeds meer kom ik erachter dat ik niet het verhaal van mijn oma aan het opschrijven ben, niet haar pijn, maar mijn eigen pijn blootleg. Die pijn heeft onherroepelijk te maken met mijn plek in de familie, in de tijdlijn, en net als bij het schrijven aan de tweede roman voel ik ook nu de drempel, de glazen wand, de deur die ik niet door mag. Het gevoel dat ik in eerdere berichten omschreef als: ik heb het gevoel alsof ik iets op aan het schrijven ben dat ik niet mág opschrijven heeft hiermee te maken. Het is een gevoel dat niets met mijn oma te maken heeft maar met mijzelf.
Naarmate ik dichter bij de kern kom neemt de druk toe. De gloeiende bol lava die zich in het midden bevindt. Zal hij me verzwelgen?
Ik ben bang. Bang dat ik mezelf weer een depressie inschrijf. Maar ik kan niet stoppen. Dit verhaal is de duivel, ik ben op zijn kar gesprongen en hij heeft me in zijn greep. Wat te doen? Schakel ik de duivel uit door van zijn wagen te springen en bij hem weg te blijven? Of schakel ik hem uit door met hem mee te gaan, te zien wat hij doet en dan, op een strategisch moment, mijn zwaard te pakken en zijn kop eraf te slaan?
'Ik ben er vannacht drie keer uit geweest,' bromt W.
Ik kijk hem ongelovig aan.
'Echt?'
Ik heb niks gemerkt, ik snap er niks van, normaalgesproken word ik van alles wakker, ik heb het moederoor.
W stapt uit bed en kleedt zich aan.
'Heb je het niet gehoord? De hond was aan het spoken,' vraagt hij.
Maar nee, ik heb er niets van meegekregen. Geslapen als een mummie.
Naast de hond was ook het weer van slag vannacht, in een paar uur tijd is het omgeslagen van ijzig vriesweer naar warm en vochtig lenteweer. Ik haal mijn nieuwe kleurrijke voorjaarsbroek uit de kast en een wit bloesje, voor het raam koert een duif, ik hoor de mezen al ratelen.
'Straks naar Blankwater,' zeg ik tegen W.
Hij knikt.
Het is vrijdag maar we zijn allebei thuis vandaag. Ik wil de kraanvogels zien en de knoppen aan de bomen en met mijn jas open door de velden waaien.
Ik vind het altijd weer een bizarre conclusie dat iets dat zoveel nieuw leven belooft als de lente gepaard gaat met zoveel tekenen van de dood. De verdorde wilde peen, duizendblad en engelwortel staan stijf en bruin in het gras. Midden op het pad vind ik de resten van een merel, de blauwe kiekendief had honger, of misschien was het de torenvalk, die heeft hier zijn vaste jaagplek. Een berg zwarte veertjes in het gras, met modder besmeurd. Ik raap er een op en loop verder, het broekbosje is opgedroogd, alleen loopt er nog een smal stroompje tussen de akker en de struiken, verder is het water weggetrokken. De groenlingen schetteren, eentje zit op een tak dicht bij me en kijkt me aan.
'Hallo,' zeg ik.
De groenling zegt niks terug maar blijft me wel aankijken.
Ik vind dat dat ook telt als een geprek.
Weer geen kraanvogels vandaag.
Trui kan niet in slaap komen. De stank in de oude fabriek hindert haar, de ruwe dekens jeuken en zijn lang niet warm genoeg. Ze heeft al haar kleren over elkaar aangetrokken en nog ligt ze te rillen. Ze weet niet helemaal zeker of het rillen wel door de kou komt, haar lijf is zo strak en stijf dat ze al een paar dagen het gevoel heeft dat ze weinig controle heeft over haar spieren. Ria is niet de enige met een baby, ze hoort de hele nacht kindjes huilen, moeders die wanhopig sussen, mam die om het uur uit bed stommelt om te plassen op de emaillen emmer die in een hoek staat en die ze delen met hun compartiment van 7 britsen. Ze huivert bij de gedachte dat ze daar straks ook op moet, zonder privacy, open en bloot. Er zit een vernedering in, in hoe ze hier zitten, ook al zijn de Duitse soldaten lang niet onvriendelijk. Ze krijgt het gevoel gedegradeerd te zijn tot iets zonder wil. Iets waar anderen over beslissen.
Sinds het overlijden van mijn oma in 2012 droomde ik bijna iedere nacht over haar. Ik zou haast zweren dat ik haar in de nacht na haar dood op mijn slaapkamer zag, naast mijn bed, ze was boos, verongelijkt, en ik begreep niet waarom. Daarna was ik dagen in de war, ik ben geen zweverig type, had nooit zoveel gedachten gewijd aan wat het hiernamaals zou inhouden en in praten met geesten geloofde ik niet. Ik schudde de gebeurtenis van me af, maakte me klaar voor de begrafenis, kleedde de kinderen aan, ik had witte lentejurkjes voor ze gekocht voor de gelegenheid. De oudste stak een kaars aan bij de kist, de jongste, net drie, keek nieuwsgierig toe. Spierwitte haren in twee staartjes, ik droeg haar op mijn heup, met haar heldere stemmetje voorzag ze alles van commentaar. Toen de mis achter de rug was liepen we achter de begrafeniswagen aan naar het laaggelegen kerkhof, de kleine was naar W's schouders verhuisd en had een goed overzicht over de velden en de stoet die als een lint de heuvel af liep.
'Waar is omaoma nu?' vroeg ze.
'Die is in de auto,' wees W.
De begrafeniswagen bewoog zich traag en zwartglanzend voort.
De jongste fronste haar wenkbrauwen even.
'Ik wist niet dat omaoma kon autorijden,' zei ze.
W keek me aan, ik grijnsde.
De afgelopen weken heb ik niet meer over mijn oma gedroomd. Mijn slaap is diep, zeldzaam diep, ik slaap zoals ik in mijn leven nog nooit geslapen heb. Ik droom vreemde dromen, kleurrijk zijn ze, alsof ik dromen van een half leven moet inhalen. Over oma heb ik niet meer gedroomd.
Het is al een poos flink koud, in de nachten vriest het en overdag wagen weinig mensen zich buiten door de ijzige gevoelstemperatuur. Op Blankwater lopen we met onze mutsen op, sjaals voor onze gezichten en handschoenen aan. Van verschillende mensen heb ik gehoord dat ze de kraanvogels al gezien hebben maar wij hebben nog geen geluk gehad. Ik inspecteer het dassenhol, het is nog steeds ondergelopen, ik vrees dat de das het heeft opgegeven en ik heb ook geen nieuwe sporen meer gezien. Vanaf eind van de week gaan de temperaturen omhoog volgens de weerman, ik hoop dat ik komend weekend nieuw groen kan vinden om af te drukken, ik ben bijna door mijn wintervoorraad heen.
Het voorjaar is in aantocht.
In de wereld van 1945 ploetert de stroom evacuées door de sneeuwstorm, over de lange weg de grens over, tot ze uiteindelijk bij de fabriek aankomen. De Duitse soldaten die hen de weg wijzen zijn niet onvriendelijk maar de ruimtes zijn vies, het stinkt er en niemand weet hoe lang ze hier moeten blijven. Ria tobt met Jeanne, ze kookt verse sneeuw voor ze de voeding aanmaakt, de wasbakken zijn zo smerig dat ze daar geen water uit durft te pakken. Trui helpt pap en mam met het opmaken van de bedden. Ondertussen gaan er verhalen rond van eerdere treinreizen, de reis naar het noorden gaat over Duitsland en treinstellen werden beschoten door de geallieerden die niet wisten dat er gewone burgers in zaten. Trui voelt zich nerveus, ze hoopt maar dat ze niet lang hier hoeven blijven maar naar de reis kijkt ze ook niet echt uit.
Er bestaat een foto van mij als baby van nog geen jaar oud waarin ik met grote zorgvuldigheid een steen vasthoud. De overlevering in de vorm van mijn moeder vertelt me nog altijd met grote regelmaat hoezeer ik gehecht was aan die steen, ik droeg hem met me mee, speelde ermee en hij moest mee naar bed. De steen heeft mijn hele kindertijd in mijn bureaulade gelegen, daarin bewaarde ik al mijn dierbare zaken. Inmiddels ben ik hem kwijt maar nog altijd zoek ik stenen, draag ik altijd stenen mee in mijn jaszakken en liggen er op mijn schattenschapje in mijn atelier stenen. Ik heb een vage maar geen overdreven interesse in geologie, het gaat niet zozeer over wat een steen me vertelt over de geschiedenis van de aarde, uit welke periode hij komt, het pleistoceen of carboon. Maar het concept steen, de geschiedenis die ik in mijn handen kan houden, dát intrigeert me. Een steen is gestolde historie en ik voel de verstreken tijd als ik mijn vingertoppen langs zijn ribbels en groeven laat glijden.
Ik schuif de afgelopen weken steeds vaker bij mijn oma naar binnen. Dan stap ik haar keuken in, ga zitten op een van de houten krukken, luister naar hoe ze tegen me zegt dat ik op moet passen, bij een van de krukjes steekt een spijkertje iets te ver uit de zitting. Ik kijk naar het aanrecht, afwas, een vaatdoekje over de kraan, de boiler. In de hoek een stapel kranten zo hoog als ik ben. De bijkeuken met de vrieskist, een zware eikenhouten tafel, de kelder, het lampje, de smalle trap omlaag, hoe het daar ruikt. De woonkamer, het kacheltje, vloerbedekking, de salontafel met het tapijtje, een foto van opa. Ze is dwingend, mijn oma. Ik ben geen kind meer maar ze trekt me nog altijd haar huis in. Ik breng er uren door, ze neemt bezit van me, praat op me in, pas op Octavie, voor alles, voor de wereld, voor het leven. Ik weet ineens niet meer zeker of het idee om mijn familiegeschiedenis op te schrijven wel mijn eigen idee was, wil ik dit wel? Het kost me zoveel en wat brengt het me? Voor wie doe ik dit eigenlijk? Voor mezelf, voor toekomstige generaties of misschien voor haar? Is dat zo? Doe ik het voor haar?
Ik voel me schatplichtig aan mijn oma. Ja, dat is het. Ik heb het gevoel dat ik een rekening moet vereffenen voor haar. Dat ik een, ja, haast Goddelijke opdracht heb gekregen. Ik heb een taak in het leven en dat is begrip kweken voor haar.
Dit inzicht schudt me wakker, ik voel ineens de enorme zwaarte die er op me drukt, niet alleen nu met het schrijven aan dit project, maar mijn hele leven al. Het kindje dat zeulde met een steen, het was niet alleen een fysieke steen, het was ook een figuurlijke. Dikke bruine oersoep roert zich in mijn binnenste, de fundamenten waarop ik gebouwd ben worden overspoeld met verantwoordelijkheidsgevoel. De verantwoordelijkheid heeft ineens een gezicht gekregen na vrijwel mijn hele leven anoniem te zijn geweest. Anoniem, latent, een jas vol stenen in de zakken, niemand zag ze, zelf was ik vergeten dat ze erin zaten, maar wat een gewicht.
Er kantelt iets. Als ik verder wil schrijven over alles wat er begin 1945 gebeurde dan zal ik mijn doelen moeten herschikken. Niet langer schrijven voor iemand anders maar voor mijzelf.
Schrijver, beeldend kunstenaar. Lino- en houtsnede, illustratie.
VOORLAND (Ambo|Anthos, 2016)
SLOT (Gloude, 2020)
HET LIED VAN DE SPREEUW (Ploegsma, 2021)
DIT GAAT NOOIT VOORBIJ (Ploegsma, 2024)
www.instagram.com/octaviewolters
www.facebook.com/octaviewolters
Published author and linocut printmaker from The Netherlands.
EXPOSITIES en etalages:
* 2024: van 31/1-25/2: ETALAGE BOEKHANDEL VAN PIERE, EINDHOVEN
* 2024: vanaf 31 januari: ETALAGE PAAGMAN FRED, DEN HAAG
* 2024: vanaf februari: ETALAGE PAAGMAN DELFT
*2024: vanaf april: ETALAGE PAAGMAN GOUDA
* 2024: februari/maart: EXPO LIVIUS, TILBURG
* 2024: vanaf 12 februari: ETALAGE DE AMSTERDAMSE BOEKHANDEL
* 2024: 2 februari-14 april: EXPOSITIE GALLERY UNTITLED, ROTTERDAM
* 2024: maart/april: EXPO BOEKHANDEL BOOMKER, HAREN (GR)
* 2024: 14 maart - eind april: EXPO BOEKHANDEL VEENENDAAL, AMERSFOORT
* 2024: maart/april: EXPO BOEKHANDEL DE VRIES VAN STOCKUM, HAARLEM
* 2024: april/mei: EXPO BOEKHANDEL PEZZI PAZZI WEESP
* 2024: 16 maart: INTERVIEW&SIGNEREN, DEURENBERG, KERKRADE 15.20 u
* 2024: 6-28 april: EXPOSITIE BOEKHANDEL KRINGS, SITTARD
* 2024: 13 april-11 mei: ETALAGE BOEKHANDEL WAGNER, SASSENHEIM
* 2024: 13 april-11 mei: ETALAGE BOEKHANDEL IJBURG, AMSTERDAM
*2024: vanaf 23 MAART: ETALAGE BOEKHANDEL TINY STORIES, KORTRIJK (B)
*2024: vanaf 23 MAART: ETALAGE BOEKHANDEL WALRY, GENT (B)
* 2024: 9 januari-28 april:VOGELVREUGD, VALKHOFMUSEUM NIJMEGEN
* 2024: 27 maart-1 april: KUNSTRAI AMSTERDAM
* 2024: 9-12 mei: ART ON PAPER AMSTERDAM
* 2024: 30 sept-11 nov: BOEKHANDEL DE DRUKKERIJ, MIDDELBURG
//Vragen? Je kunt me mailen op octaviewolters@gmail.com//
DE WEBSHOP IS OPEN
MEER INFO VIA octaviewolters.nl/webshop