/Verhalen/
/Webshop/
/Dossier Voorland/
/Vlogs/
/Faq/
/Contact/
/Account/
/Winkelmandje/

Weegschaaltheorie (21-09-2020)

Ik zat te wachten tot de jongste klaar was met haar trompetles. Met haar mee naar binnen mag niet in deze dagen en dus zit ik elke week de tijd uit voor het muziekgebouw, op het muurtje dat pal op de stoep staat. Elke keer als er iemand voorbij loopt moet ik mijn benen intrekken, maar dat komt niet zo vaak voor, het is een rustige wijk.
Ik had een rotdag.
Ik geloofde heel lang in de weegschaaltheorie: als er op een dag meer goede dingen dan vervelende dingen gebeuren dan wegen de goede dingen zwaarder en is het onder de streep een fijne dag. Maar sinds een tijdje weet ik dat het niet zo werkt. Soms kunnen er duizend fijne dingen gebeuren en geen enkel vervelend ding maar dan kan het alsnog een rotdag zijn. Of een rotweek, of een rotjaar.
In de ochtend had ik een berichtje gelezen dat me geraakt had. Theoretisch gezien was het niet eens een naar bericht en had ik geen enkele reden om erdoor van slag te zijn, maar toch was ik het. Daarna waren er drie onmiskenbaar leuke dingen gebeurd, Rob van Essen vond mijn boek goed, ik kreeg een uitnodiging voor een derde expositie dit najaar en Arie Boomsma vond mijn beeldende werk mooi, en we weten allemaal hoeveel smaak deze man heeft.
Een beetje somber zat ik op het muurtje. Er kwam een oude man aanschuifelen, ik trok mijn benen al in. In de ene hand had hij een stok, in de andere de riem die vastzat aan een onooglijk hondje. Het snuffelde even aan mijn blote tenen.
'Hebben ze je achtergelaten?' vroeg de man.
Hij bleef even staan en draaide zich naar me toe, hij was nog ouder dan ik van een afstandje ingeschat had.
Ik glimlachte en dacht even na over deze mysterieuze vraag. Wie bedoelde hij met 'ze'?
'Dat zou wat zijn,' antwoordde ik maar.
Hij draalde een beetje, keek nog eens naar me, het hondje was erbij gaan zitten, met zijn lelijke kontje op de stoep.
'Je mag wel met ons mee-eten, we wonen op nummer 86, kom maar mee hoor, mijn vrouw staat net te koken.'
'Ligt eraan wat jullie eten,' zei ik.
'Spaghetti.'
'Lekker.'
Maar mijn dochter kwam al naar buiten, ze duwde haar trompetkoffer in mijn handen, de oude man tikte met zijn wijsvinger tegen zijn pet en schuifelde door.
Die avond scharrelde ik wat door het huis, buiten was het donker, de triestigheid was de hele dag niet geweken. Mijn telefoon ging, de drukpers die ik al zo lang op het oog had mocht ik vrijdag komen ophalen voor een goede prijs. De balans van de goede dingen ging naar vier, misschien wel vijf als ik het gesprek met de oude man meetelde, tegenover één betwijfelbaar naar ding. Ik voelde me schuldig tegenover al het fijns dat ik er niet blijer mee was.
Maar ik wist ook dat het was zoals het was, en dat deze dag voorbij ging.
En dat morgen alles helemaal andersom kon zijn.


Engelenveer (13-09-2020)

In de streek waar ik woon wordt nog wel eens gezegd dat als je een wit donsveertje vindt dit een veer is die uit een engelenvleugel is gevallen.
Begin juni kantelde er iets in mijn leven. Niet zozeer in praktisch opzicht, ik rondde in die dagen net mijn tweede boek af, ik was voor het eerst na mijn depressie weer aarzelend optimistisch over mezelf en de toekomst en of het nu over mijn leven, mijn beeldende werk of mijn schrijven ging, ik vatte al mijn taken met een nieuw herwonnen stevigheid bij de horens. De wereld was weer opgerezen uit de nevel, als een ontdekkingsreiziger liep ik rond en verwierf steeds meer vaste grond onder mijn voeten.
Ergens midden in deze nieuwe alledaagsheid kwam er het bericht dat een dierbaar familielid ernstig ziek is. Ziekte komt nooit gelegen, maar deze ziekte, bij deze precieze timing, deed mij en alle betrokkenen happen naar adem over zoveel onrechtvaardigheid. Mocht er een wezen zijn dat de scenario's bedenkt voor alle mensen op aarde, dan heeft hij hier flink de plank misgeslagen.
De eerste weken bracht ik door in shock and awe, slecht nieuws stapelde zich op slecht nieuws, ik probeerde mijn hoofd om zoveel onheil te wikkelen, het lukte nooit, 's nachts lag ik met grote ogen in het donker te kijken, me af te vragen hoe zoiets in hemelsnaam kon gebeuren. Ik dacht lang dat de grootste vijand in zo'n situatie het verdriet was dat je met opengesperde bek op komt vreten, of de bezorgdheid die je hersencapaciteit inneemt als een dataslurpende app. Maar in dit geval was de grootste vijand de machteloosheid. Ik kon niets doen, ik mocht niets doen.
Op een zaterdag eind juni besloot ik naar de kapel aan de andere kant van de stad te rijden. Daar stak ik een kaars aan. Na het aansteken van de kaars ging ik even op een van de houten banken zitten en keek naar het Mariabeeld dat in de vitrine voor me stond, ik huilde. Toen ik weer buiten kwam scheen de zon, ik liep naar het kleine bos achter de kapel, daar is een kronkelend pad gemaakt dat langs de veertien staties van de lijdensweg van Christus voert. Veertien witstenen beeldhouwwerken tussen de bomen, die uiteindelijk leiden naar een grote open plek, rijen bankjes die uitkijken op een altaar met daarachter een calvarieberg. Op mooie zomerdagen wordt hier de mis gevierd.
Sinds die zaterdag drie maanden geleden ben ik elk weekend teruggegaan naar de kapel, elk weekend stak ik een kaars aan en elk weekend liep ik een rondje in het bos. Het bestreed de zuigende machteloosheid en het was het enige moment in de week dat ik me door zorgen en verdriet liet verzwelgen, heel even, om me daarna vast te grijpen aan hoop. Als ik iets kon betekenen in deze situatie dan was het de hoop bewaren, hem met mijn handen te omhullen en te zorgen dat hij niet zou uitdoven.
Voor haar, voor mij.
Afgelopen zaterdag was ik er weer.
Bij de grote gietijzeren poort die de ingang van het bos markeert vond ik een wit donsveertje. Even verderop lag er nog eentje. En nog een. Over het hele, lange, bemoste pad door het bos, langs alle veertien staties, lagen witte donzen veertjes. Soms wel vijf bijeen, dan weer een paar meter niets, en dan weer een paar.
Ik overwoog of ik misschien een goddelijke prijs had gewonnen, na vijftien kapelbezoeken beloont de voorzienigheid je met een pad vol veren, ik vroeg me af wat ik zou krijgen bij vijftig bezoeken, ik hoopte op een brandende braamstruik.
Bij de vierde statie lagen er uitzonderlijk veel veren, ik bukte en raapte er een op, streek er even mee langs mijn wang, zulke veertjes zijn zo zacht dat je hun aanraking niet voelt, je zou bijna denken dat ze niet echt bestaan.
Daarna stopte ik hem in mijn tas en nam hem mee. Ik hoop dat het waar is wat er gezegd wordt, dat het een engelenveer is. En dat er gewaakt wordt.


Opengebroken (26-08-2020)

De straat is opengebroken, vlak voor ons huis is een diep gat gegraven. Waar ik al dagen mopperend sta te klagen dat de bulldozers en vrachtwagens lawaai en rommel maken, staat W verlekkerd te kijken naar hoe het asfalt van de weg wordt geschraapt en een voertuig op rupsbanden schokkerig langs ons raam voortbeweegt. 'Kijk dan! Wat een machtig apparaat! Kijk die banden, Octavie!'
Om het gat is een hek geplaatst, toen ik gisteravond laat Wiesje nog even had uitgelaten, had ik even door de tralies naar beneden gekeken, het is enorm diep, minstens drie meter. Er was verder niet veel aan te zien, ik had misschien gehoopt op iets spannends op de bodem, oude leidingen, een resten van een Romeins badhuis, een lekker luguber skelet, je weet het niet, maar nee, er lag alleen maar saai grijs zand.
'Ik ken jou!' hoorde ik ineens achter me. 'Ik herken je van de foto achter in je boek, ik heb het net gelezen!'
Toen ik opkeek zag ik de vrouw staan, ik had haar nooit eerder gezien. Zonder mijn antwoord af te wachten praatte ze door.
'En ik heb het al aan drie mensen uitgeleend die het ook al hebben gelezen!'
'Ah,' zei ik onnozel.
'O, dat had ik misschien niet moeten zeggen, van dat uitlenen,' zei de vrouw, ze keek ineens een beetje schuldbewust. Blijkbaar had ze zich gerealiseerd dat boeken uitlenen voor een schrijver financieel niet erg gunstig is. Tenzij je een bibliotheek bent natuurlijk.
'Och,' zei ik maar.
Vanochtend laveerde ik de jongste tussen alle machinerie door richting school, er stond een kluitje werklui gebogen over de kuil. Ze praatten met grote gebaren, gingen even rechtop staan, wezen opgewonden naar de bodem en bukten weer voorover om nog een keer te kijken. Ik vroeg me af of er in de loop van de nacht iets met de kuil gebeurd was, misschien was er iemand in gevallen, een straatschoffie dat over het hek was geklommen, of had ik iets over het hoofd gezien gisteravond, toch een skelet. Maar toen ik een blik wierp was alles nog hetzelfde. Saai grijs zand. Blijkbaar bouwden ze in hun gesprek een beeld op, iets toekomstigs misschien, wat er nog moest gebeuren, ze zagen iets bijzonders maar mijn lekenoog kon het niet waarnemen.
Ik moest denken aan de twee exposities die ik dit najaar heb. Op mooie, bijzondere plekken. Ik ben druk bezig met de voorbereidingen al klinkt dat meteen alsof ik heel gestructureerd allerlei lijstjes aan het afwerken ben. Het tegenovergestelde is aan de hand, ik probeer juist zoveel mogelijk te maken wat ik zelf wil, niet na te denken over wat goed zal verkopen of wat mensen graag willen zien, maar wat ík wil menemen. Er lijkt een vreemde tegenstrijdigheid in te zitten, maar toch werkt het zo, alleen op deze manier kan ik de lijn tussen mij als maker en het publiek als ontvanger zo kort mogelijk houden, door mijn individuele creativiteit brandend te houden. Als ik ga nadenken over een opbrengst of een doel dan loop ik vast. Ik zie het overal om me heen gebeuren, mooie, authentieke ideeën die uit hun context worden gehaald en ingezet worden voor winstbejag. Het is als het afsnijden van de stengel van een bloem, dat kun je doen, de bloem blijft met geluk een weekje mooi, maar om de plant te laten overleven heb je de wortel nodig. Echte, pure ideeën eisen een dito uitwerking, met de ogen op het verloop gericht en niet op het doel.
Waar de bouwvakkers om de kuil stonden en iets zagen dat ik niet kon zien, maar wat er voor hen wel degelijk was, zo is ook dit een werkelijkheid die er is maar die niet iedereen kan waarnemen. Creëren vanuit de diepste ik om zo op het fundamenteelste niveau contact te maken met de medemens.
Zo werken vraagt vertrouwen. Ik gun het iedereen.


Goed (23-08-2020)

Ik stond op der Wiese, het weitje, bij het haventje, het water scheen donkerblauw, witte kopjes op de golven. Er voeren alleen een paar grote zeilboten op het open gedeelte van de meest zuidelijke plas, het was nog vroeg, de meeste bedrijvigheid vond plaats op de steigers. Ik hou van de geluiden van de haven, vooral met deze wind, het geklingel van de masten, het doffe klotsen van de stootwillen tegen de randen.
Op de jeugdzeilsteiger waren de instructeurs bezig om alles klaar te maken voor de zeillessen, vanaf volgende week zijn er nog een paar cursusdagen, de enige dit jaar, door de pandemie kon alles aanvankelijk niet doorgaan. De oude grijze W, een trouwe bekende op der Wiese, hielp een handje, toen hij me zag zwaaide hij en liep naar me toe.
'Ik heb je boek gekocht,' zei hij. 'Nog niet gelezen maar wel al wat doorheen gebladerd.'
Ik knikte, hij schrijft ook. Na een werkend leven als journalist bij de nationale Duitse televisie werkt hij nu aan een boek. Over zeilboten natuurlijk, dat laat zich raden.
'Je hebt een ongelofelijke makkelijke manier van schrijven,' zei hij. 'Ik ben jaloers op mensen die de zinnen zo uit hun mouw schudden.'
Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Of ik moest vertellen dat het boek juist tot stand was gekomen door een periode dat ik het niet meer kon. Dat er juist geen woord meer uit me was gekomen. Ik besloot te zwijgen, hij zou het vanzelf wel merken.
'Het gaat goed met het boek hè,' zei hij.
Ik dacht aan de foto die mijn uitgever me net had gestuurd, de herziene pagina waaraan nu de vijfde druk was toegevoegd. 
'Erg goed,' antwoordde ik.
Een rank zeilschip voer voor ons uit de haven uit, de wind stootte in het zeil. Verderop vloog een zwaan traag klapperend over het water, zijn vleugels raakten het wateroppervlak net niet.
'Wat fijn,' zei de oude W.
En dat is het.
Ongelofelijk fijn.


Goed (03-08-2020)

W is met de kinderen een houtoventje aan het bouwen in de tuin. Een bakhuisje waarin we pizza's, vlaaien en broden kunnen bakken. Het hele grasveld ligt al weken vol bouwmaterialen, cement en pontificaal in het midden staat de koepel die ze net hebben afgesmeerd over een skippybal bedekt met cellofaan en die nu nog minimaal twee weken moet drogen.
Het is geen gezicht.
Tussen al deze troep zat ik een poging te doen tot vakantie toen mijn telefoon ging.
'Nou,' zei de journalist vrolijk, 'en zullen we dan het interview lekker bij jou in de tuin doen?'
Echt op vakantie gaan we niet dit jaar. Ik geloof niet dat ik echt tot rust ga komen als ik in een hotelbed moet gaan liggen waar de kans bestaat dat er iemand voor me in het matras heeft liggen hoesten.
Wel gingen we kamperen in de familiewijngaard. Dat was wel bijzonder, de nacht doorbrengen op de grond die al zo lang in de familie is, waar ik zoveel herinneringen heb. Wiesje mocht voor het eerst mee in de tent, dat was een matig succes, ergens halverwege de nacht kroop er iets harigs naast me op mijn luchtbed dat me in mijn gezicht begon te likken, ik wist vrij zeker dat het W niet was.
Om half drie waren we met z'n allen wakker en kropen de tent uit, het leek niet helemaal donker, er waren heel veel sterren. Het achterste gedeelte van de wijngaard bestaat uit een flink grasveld dat aan twee kanten omzoomd wordt door mais. Plotseling spong er een grommend dier uit de dichte haag, het was een ree, die blaffen als er gevaar is, we luisterden hoe het geluid wegstierf in de richting van het bosje.
Het boek ligt sinds vrijdag in de winkel, dat is een gek gevoel. Deze periode net na verschijnen voelt geluidloos. Ik heb de afgelopen weken heel hard gewerkt en nu is er niets, het maakt me onrustig, mijn hoofd trekt, ik zoek naar manieren om het hongerende zuigen te stillen. Ik schreef Slot per ongeluk, het gebeurde gewoon, het kwam zonder dat ik er erg in had. Ik stel me voor dat het zo moet voelen als je bevalt zonder dat je wist dat je zwanger was. Nu denk ik veel na over hoe de condities waren waaronder ik blijkbaar in stille rust een boek kon laten vormen, waar ik de kracht vond om het precies zo te maken zoals ik het zelf wilde. Ik ben er nog niet uit, en misschien is het ook wel zinloos, een volgend boek vergt een nieuwe situatie, weer andere scheppingsvoorwaarden.
Dit weekend zette ik mijn nieuwe boek naast mijn debuut in mijn boekenkast. Twee boeken, dat is al bijna een oeuvre.


Pagina 7 van 36


Schrijver, beeldend kunstenaar. Lino- en houtsnede, illustratie.

VOORLAND (Ambo|Anthos, 2016)
SLOT (Gloude, 2020)
Verwacht: HET LIED VAN DE SPREEUW (Ploegsma, 2021)
Verwacht: DIT IS GEEN TEKENCURSUS (Gloude, 2021)

Published author and linocut printmaker from The Netherlands.

//Vragen? Je kunt me mailen op octaviewolters@gmail.com//

DE WEBSHOP IS OPEN
Je kunt mijn werk bestellen via octaviewolters.nl/webshop
Veel plezier!

www.twitter.com/octaview
www.facebook.com/octaviewolters

© Alle content, in woord, beeld en concept is van Octavie Wolters.
Algemene voorwaarden     Verzenden en levering